| wat | een bezoek aan je geboortedorp |
|---|---|
| waarom | meester Koos vierde met een reünie zijn pensioen |
| waar | Avenhorn |
Het heeft iets verdrietigs, om na jaren weer in het dorp van je jeugd rond te lopen. De kleine wereld, die ooit je enige wereld was, valt van zijn voetstuk. Dat is ook precies de reden waarom je nooit naar een reünie moet gaan. Of naar je geboortedorp. Of jeugdliefdes moet zoeken op Facebook (ze zijn allemaal dik geworden).
Ik wandelde met mijn zus over het Veer. Ze was op mijn aandringen meegegaan, want voor geen goud wilde ik alleen zijn. Bovendien had zij destijds ook op die school gezeten, ook al was het maar twee jaar. We zochten de snackbar. Terwijl we liepen zonken we steeds meer af naar de vorige eeuw. Zonder dat we het doorhadden overigens.
Die snackbar was er niet meer. Een beetje lastig was dat wel, want ik had inmiddels echt veel zin in patat. Vertwijfeld sloegen we af naar de Kathoek. ‘Hoe komen we erachter waar tegenwoordig de snackbar is?’ Het kwam geen moment in ons op om het internet te raadplegen. De reis terug in de tijd had de telefoon in mijn hand getransformeerd tot een stuk plastic zonder functie. Hierna kregen we de slappe lach.
We vonden uiteindelijk toch een snackbar, op aanwijzing van een oude buurman die we tegenkwamen: ‘Snackbar? Ja joh, er zit er eentje in het winkelcentrum.’ Hij had net zo goed kunnen zeggen ‘Snackbar? Ja joh, er zit een McDonalds naast het paleis van de sjeik.’ Avenhorn heeft dus inmiddels een winkelcentrum.
Het schoolplein stond vol onbekenden. We moesten in de rij gaan staan om de hoofdpersoon te kunnen feliciteren met zijn pensioen. Dat meester Koos mij herkend had, bleek uit zijn begroeting. ‘De Jong!’ riep hij me toe, en daarna naar mijn zuster een concluderend ‘De Jong!’
Zijn vele ontmoetingen die avond – met al dan niet bekenden – hadden zijn interesse in mij teruggebracht tot één duidelijke vraag: ‘Wat ben je geworden?’ Wat ben ik geworden. Dat is een heel goede vraag, meester Koos, en ik hoop dat u dit leest.
Deze recensie verscheen op 17 juli 2012 in de Volkskrant.
© Martine de Jong










Het grappige, en misschien ook verdrietige, aan dingen bezoeken waar je opgegroeid bent (zoals je oude huis/buurt/dorp), is dat alles zo veel kleiner is dan je je kan herinneren. Wat natuurlijk logisch is. Maar toch is dat wel jammer, waar je als kind vroeger dacht dat de boom in de tuin die jij zo goed kon beklimmen wel 200 meter hoog was, is hij in realiteit maar 5 meter hoog en dan is dat opeens niet zo bijzonder meer.
JA! Zoals de muntpoepezel in het sprookjesbos. Die viel tegen vorig jaar, in mijn hoofd was hij mega.
Volgens mij ben ik niet je oude buurman Matine..
Ikzelf ga met een compleet andere instelling naar mijn jeugddorp of een reünie. Indruk maken. Mensen laten denken: “Goh, die is erop vooruit gegaan!”. Afgunst opwekken.
Weken van tevoren begin ik mijn zoektocht naar een nieuwe (duur) (jaloers makend) setje kleren. Vraag aan iedereen die gek genoeg is om al m’n geurtjes te ruiken welke het beste (lees: indrukwekkendst) is voor m’n bezoekje. En dan heb ik nog niks gezegd over het verhogen van de sportfrequentie van één keer in de twee weken naar drie keer in de week.
Kortom. Dus. Een reünie is mijn kans om iedereens eens om te laten zien hoe goed het met me gaat. En niet te vergeten dat ik die kleine wereld achter me heb gelaten!